Dit werk kan gesitueerd worden in de ‘tweede periode’ van Wijnants. Het naakt is nog niet volledig bevrijd van decoratieve elementen: een draperie, een in plooien vallend onderkleed, een vreemde haartooi. Hiernaast is een streven naar het statische merkbaar: het gebaar blijft beperkt tot de allernoodzakelijkste beweging. Het werk is tot bij de schenking aan Middelheim steeds opgesteld geweest in de tuin van ‘de Marentak’ te Kapellenbos, woning van de familie Muls. Het is een uniek exemplaar. Een exemplaar in hout (uitvoering in 1932) bevindt zich in de verzameling van de Stad Mechelen.