In 1938 overleed Ernst Barlach voor wie Käthe Kollwitz een diepe verering had. Barlach en Kollwitz worden vaak in een adem genoemd. Ze deelden dezelfde opvattingen: "het is buiten zoals binnen. Vorm en inhoud vallen geheel samen" (Ernst Barlach zum Gedenken, 1939). Beiden leden onder het nazi-regime, dat hun werk als Entartete kunst in beslag nam en hun werk verbood.
Een maand na de begrafenis schreef ze: "het is alsof de dode Barlach me gezegend heeft, ik kan goed werken (dagboek Kollwitz 1938). Ze werkt aan het reliëf Die Klage en schrijft daarover: "Toen ik de Klage maakte, was ik onder de indruk van Barlachs dood en van het verschrikkelijke onrecht dat hij onderging. Het verschrikkelijke onrecht, dat mensen elkaar aandoen, heeft zich de laatste drie jaren nog voortgezet en gaat nog steeds door"... (Käthe Kollwitz, Brief aan Trude Bernhard, 1941). Ze verwijst naar de jodenvervolging die ze van dichtbij beleefde doordat haar zus met een Joodse ingenieur en componist getrouwd was.
Het treurende gezicht deels verborgen achter de handen, heeft trekken van de kunstenares zelf. Onder het nazi-regime krijgt de bedekte mond een specifieke betekenis en wordt het ware een aanklacht tegen het monddood maken van dede kunstenares, die verhinderd haar werk aan het publiek te tonen.