Als ruiter, zocht de kunstenaar naar een manier om de dynamiek en de snelheid van het paardrijden vorm te geven. Dit beeld is de eindfase van een zoektocht waaruit verschillende beelden voortkwamen. Van realistisch tot de futuro-kubistische stijl van dit beeld. Het is de ultieme versmelting van vorm en machine. Hiermee sluit Duchamp-Villon naadloos aan bij het futurisme, dat op dat ogenblik vooral in Italië opgang maakte.
Het 'paard' was het laatste grote beeldhouwwerk van Duchamp-Villon en volgens zijn Amerikaanse vriend Walter Pach was het ongeveer een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begonnen en in de herfst van 1914 voltooid. De twee vroegst bekende studies zijn het traditionele thema van een paard en ruiter, afgebeeld op het moment van voorbereiding op de sprong. Maar nadien elimineerde de kunstenaar de ruiter en transformeerde het paard stap voor stap tot een uitdrukking van dynamische machinekracht. De ontwikkeling omvatte vijf verschillende fasen, evenals ten minste vijf aanvullende studies en tientallen tekeningen, waarvan er slechts twee bekend zijn uit foto's. Het beeld naderde al zijn voltooiing toen hij zich in augustus 1914 aanmeldde als medisch onderofficier bij het 11e Regiment van Cuirassiers. Als officier in een cavalerieregiment werd hij een ervaren ruiter en kon hij zijn grotere kennis van paarden gebruiken om verschillende aanpassingen aan zijn werk aan te brengen, dat hij uiteindelijk tijdens een verlofperiode voltooide.
Het kunstwerk dat hij in de herfst van 1914 achterliet, en zoals het bleef op het moment van zijn overlijden in 1918, was slechts 44 cm hoog. Volgens zijn broers Jacques Villon en Marcel Duchamp was dit een maquette en had de kunstenaar de intentie dit te realiseren op 1m hoogte.
Naar aanleiding van de posthume retrospectieve in 1931, realiseerde Jacques Villon de vergroting van het kunstwerk van zijn broer.
Samen met beeldhouwer Albert Pommier creëerde hij een gips van ca. 100 cm en een mal voor bronsgieter Valsuani. Er bestaan 10 bronzen versies in belangrijke museale collecties: Museum of Modern Art, New York; Middelheimmuseum; Centre Pompidou, Paris; Walker Art Center, Minneapolis; Munson Williams Proctor Institute, Utica, NY; Art Institute of Chicago en tenslotte de artist's proof in Tate Gallery. 3 artists proofs resteren in private collecties.
Het Middelheimmuseum ontleende het werk eerst van de bronsgieter Susse Frères met toelating van de galerij Louis Carré voor de Biënnale van 1955 en kocht het nadien aan.
De tweede vergroting van de sculptuur, die 150 cm hoog is en meestal bekend is als 'Le Cheval Majeur', werd in 1966 uitgevoerd onder toezicht van Duchamp.