Tussen 1938 en 1965 maakte Manzù in totaal 50 ‘kardinalen’. Sommigen zitten, anderen staan en ze zijn telkens tussen 20 cm en 2,50 meter hoog. Op één enkel voorbeeld na, zijn het nooit individuele portretten. Het was de vorm die Manzù fascineerde. Toen hij in 1938 in de Sint-Pieterskathedraal in Rome enkele kardinalen bij elkaar zag staan, de omhulde lichamen, de vorm in de vorm, was er iets wat de kunstenaar meteen opviel… Bij dit beeld staat de kardinaal zeer ingetogen, de ogen neergeslagen en de mantel zeer strak rond zich aangetrokken. Buiten het gelaat en de ene hand, zien we enkel kleding. Een gesloten, zeer kwetsbaar aandoende figuur. Dit werk is een enig exemplaar maar er bestaat een variante van gelijke grootte in de Hirshhorn-collectie te Washington.
Na bemiddeling van Umberto Apollonio bezochten burgemeester Craeybeckx, conservator Bauduoin en Vanbeselaere het atelier van Manzu in Milaan in 1950. Ze namen onmiddellijk een optie op dit werk en op een kardinaal, die door de Tate werd gekocht. Manzu zelf stelde een grote kardinaal voor, waaraan hij werkte in 1952 en die hij beschouwde als een van zijn beste werken "en een van de belangrijkste werken van de laatste 50 jaar".
height: 167 cm (beeld) width: 50 cm (beeld) depth: 52 cm (beeld) height: 12 cm (dekplaat) width: 35 cm (dekplaat) depth: 40 cm (dekplaat) height: 40 cm (sokkel) width: 50 cm (sokkel) depth: 45.5 cm (sokkel)